Th. Nail, Theory of the Border, Oxford, 2016
Het boek ontwikkelt een grenstheorie aan de hand van de geschiedenis van de grens, door betere beschrijvingen dan voorheen te bieden van de voorwaarden, krachten en trajecten bij het ontstaan van grenzen, hun bestaan in het heden en een perspectief op hun beweging in de toekomst. De auteur, een filosoof, legt daarbij de nadruk op de grens als maatschappelijk verdelingsproces dat niet herleidbaar is tot staatsmacht en zeker niet tot een abstracte lijn. De grens gaat volgens hem immers de staat vooraf, historisch maar ook logsicherwijze want de technische begrenzing is nodig om überhaupt tot een staat te kunnen komen: maatschappeljke entiteiten, vnl. staten, zijn het resultaat van een ‘bordering process”. Gedaan dus met de geschiedenis van grenzen als de geschiedenis van staten te beschouwen, als abstracte, duidelijk afgelijnde grenzen. De grens ligt zich tussen de maatschappelijke entiteiten in (en maakt daar dus geen deel van uit!), is steeds in beweging, in een cumulerend proces van ‘bordering’ (ook: ‘herbestemming’) van de maatschappij en is niet herleidbaar tot ‘ruimte: het bevindt zich immers tussen sociale ruimten en staten (en tussen ruimtes is geen ruimte mogelijk). Dus: de maatschappij is eerst en vooral een product van grenzen.
Die dixit Nail ‘kritische limologie’ formuleert een theorie van de grens als primair proces en niet als een afgeleid politiek proces. Hij doet dat aan de hand van vier fundamentele grenstechnieken of –technologieën, beantwoordend aan vier sociale types: territoriaal (het hek), politiek (de muur), juridisch (de cel) en economisch (de controlepost). De theorie is dus materialistisch: grenzen als concrete technieken en niet van ideeën of kennis die lossstaat van de sociale en materiële werkelijkheid.
Het boek bestaat uit, naast een inleidende algemeen-theoretische schets, de ontwikkeling van de theorie (Border Kinopower), de beschrijving van de vermelde vier fundamentele technieken en ten slotte de toepassing van de theorie van de vier types op de grens tusen de Verenigde Staten en Mexico.
De auteur trapt bij het uiteenzetten van de basis voor zijn theorie nogal wat open deuren in: door meer aandacht te vragen voor pre-negentiendeeeuwse grenzen; door bij de ontwikkeling van een genese-theorie de empirie aan te prijzen (en dus niet louter vanuit de theorie te werken) en door, zoals zovelen, enkel lippendienst te bewijzen aan de multidisciplinaire aanpak (maar het eenzijdig bibliografisch apparaat van de auteur bewijst het tegendeel). Ook de nadruk op de verdelende werking van de maatschappelijke stromingen (in plaats van de statische factoren) en het oog hebben voor alle soorten grenzen in het leven, is niet nieuw.